Erfrecht tussen 1500 en 1795: vondsten in de bodem

Akker

Hoewel het erfrecht niet bij wet geregeld was in de periode tussen 1500 en 1795, was het duidelijk dat de oudste zoon het makkelijkst aanspraak kon maken op de erfenis van diens ouders. Toch was het niet in alle gevallen een vaststaand feit dat de erfenis goed geregeld was, getuige de vondst van bepaalde schatten in de bodem.

Vanaf de vijftiende eeuw begon de verstedelijking van Europa. Nieuw was de opkomst van de meerkernengezinnen, waarbij de ouders het huis deelden met de oudste zoon en diens gezin. De eigen woonstede was voor velen niet weggelegd, door de opkomst van allerlei belastingen.

Omdat niet alle kinderen in het ouderlijk huis konden blijven wonen, werden er allerlei maatregelen bedacht. Zo werden de dochters al snel overgedaan aan een klooster of uitgehuwelijkt aan een bevriende familie. Wie nu denkt dat het op het platteland nog slechter was geregeld, komt bedrogen uit. Hoewel de armoede op het platteland soms erg groot was, leek het erfrecht beter geregeld. Vooral in de noordelijke streken leek het erfrecht veel op wat nu als normaal beschouwd wordt. Ware het niet dat vooral de mannelijke familieleden het beter hadden.

De zogeheten evenredige erfopvolging bestond eruit dat de kinderen niet meer bij hun ouders bleven wonen nadat zij getrouwd waren. Zodra ze in het huwelijksbootje stapten, kregen ze een deel van de erfenis. Je zou kunnen zeggen dat het hier om een oprotpremie ging. Helaas voor de dames, maar zij kregen vaak helemaal niets.

Hoe modern dit ook lijkt, het was het niet echt. Zo trouwde men alleen binnen de groep waarin men samenleefde. De landerijen die als erfenis gebruikt werden, raakte in de loop der tijd steeds meer versnippert. Opgravingen op akkers in agrarische gebieden tonen aan dat in vroeger tijden de akkers steeds kleiner werden.

Binnen de familie

Ondanks de versnippering bleef het bezit eigenlijk binnen de familie, want het ging hier om endogamie: trouwen binnen de bepaalde groep van bloedverwanten. Door strategisch te trouwen lukte het soms wel om de versnipperde bezittingen weer bij elkaar te krijgen.

In veel streken deed men er alles aan om bij elkaar in de buurt te kunnen wonen. Zo werden sommige lintdorpen speciaal langs de weg aangelegd om te garanderen dat men naast elkaar kon wonen. Boerderijen werden zodanig ingericht, dat alle bewoners van het dorp een gezamenlijke dorpskern deelden. Wat handig was, want de kinderen die nog te jong waren voor het huwelijk of waarvoor nog geen geschikte kandidaat of kandidate was gevonden konden hand en spandiensten verrichten als knecht of dienstmeid. In de gezinnen waarin dit aan de orde van de dag was, viel ook weinig te erven. De gezinnen waren bijzonder arm. Toch moest er wel wat geregeld worden, wanneer de vader kwam te overlijden. Hij gold als baas van het familiebezit en bepaalde wie de erfgenaam zou worden.

Contract

Mocht de oudste zoon het niet te bont gemaakt hebben, dan zou hij het familiebezit erven. Voorwaarde was dan wel dat de oudste zoon dicht in de buurt bleef wonen en bereid was om vader en moeder op te nemen in het huis waarin men woonde, mocht dit nodig zijn. In een speciaal contract werd vastgelegd wat er zou gebeuren na de dood van de pater familias. Om er zeker van te zijn dat de vader en moeder tekort zouden komen werd in het contract opgenomen dat men alle bezittingen vrij mocht gebruiken (vruchtgebruik) en hierover ook nog volledige zeggenschap had.

Mocht het mogelijk zijn, dan zouden de andere zoons geld meekrijgen wanneer zij het huis zouden verlaten. Dan kwam er een einde aan het absolute gezag van de vader. De zoon die als erfgenaam gold, bleef dit soms nog jaren. Zonder overigens enige vorm van zeggenschap te hebben.

Dochters erfden formeel niets. Zij kregen een bruidsschat mee. Op verschillende plaatsen in Nederland zijn verschillende bruidsschatten in de bodem gevonden. Soms verstopt om diefstal te voorkomen, op andere momenten ongewild in de bodem terechtgekomen door een ongeluk. Op een willekeurig moment is men vergeten waar de bruidsschat te vinden was en bleef deze achter in de bodem. Dit soort vondsten zijn een getuigenis van de manier waarop het erfrecht tussen 1500 en 1795 was geregeld.

Overigens zijn sommige van die bruidsschatten gevonden in oude kloosters. Bij hun intrede kregen de vrouwen ook een bruidsschat mee, zoals bijvoorbeeld in Cisterciënzer vrouwenklooster Yesse

Hoe goed geregeld dit alles ook lijkt, het was vooral tot stand gekomen op basis van eigen regels. Pas na 1795, met de komst van de Bataafse Republiek, werden de regels wettelijk vastgelegd. In plaats van gewoonterecht, ging men geleidelijk aan over op een meer gestructureerd erfrecht. Vandaag de dag zijn de regels veel beter vastgelegd, zoals op deze website bekeken kan worden. Wat ons nog rest, dat zijn de vondsten in de bodem die duidden op een periode waarin alles veel minder goed geregeld was dan vandaag de dag.

Overblijfselen

Verdeling van de akkers in een deel van Engeland
Pagina 41 van “The farmer’s letter to the people of England” met daarin een goed voorbeeld van hoe het akkerland verdeeld was in 1771.

Naast natuurlijk de mogelijk in de grond aanwezige overblijfselen, zoals de verloren gegane bruidsschatten, is het bewijs boven de grond nog veel groter. Hoe het land waarop gewassen verbouwd worden is ingedeeld kan in sommige gevallen de erfenis zijn van strategisch gesloten huwelijken of familiebanden. Overigens is dit nergens beter zichtbaar dan in het Engelse landschap, waar ruilverkaveling door een stugge houding van sommige boeren tot niets heeft geleid. Het landschap bestaat op sommige plaatsen nog uit een lappendeken van kleine landerijen. Boeren moeten dan ook grote afstanden afleggen om de verschillende landerijen te onderhouden die zij in hun bezit hebben.

Foto: Richard Walker Photography.