Bekkesnijden als volksspel

Bekkesnijden als volksspel

De merkwaardig versierde muntjes uit de zeventiende tot en met de negentiende eeuw vertellen een apart verhaal. Het verhaal dat een oorsprong vindt in een spel wat op kermissen, bruiloften en in de kroegen gespeeld werd. Lees meer over het fenomeen bekkesnijden als volksspel.

In de periode tussen de zeventiende en negentiende eeuw was het bekkesnijden erg populair. Het spel was afkomstig uit de agrarische sector. Erg leuk was het overigens niet echt te noemen, want het was de bedoeling dat men elkaar een snee gaven op het gezicht. In eerste instantie werden hiervoor botte messen gebruikt. Later werd de toevlucht gezocht tot gekartelde muntjes. Deze muntjes zijn overal in het land te vinden in de bodem. Het is dan ook een regelmatig terugkerende dectorvondst.

Het spel was overigens niet mogelijk zonder dat men een van de twee handen inwikkelde met een doek of kleding. Op deze manier kon men de tegenstander afweren. Hoe meer littekens iemand op het gezicht had, hoe duidelijker het was dat deze man deelgenomen had aan veel van dit soort spellen. Tijdens toernooien toonde men de vechtkunsten. Dit leidde regelmatig tot onrust. De overheid probeerde met alle macht om de spellen te verbieden. Pas toen er geldboetes uitgedeeld werden, vanaf de negentiende eeuw, verdween het spel geleidelijk.

In de roman “De lotgevallen van Ferinand Huyck” van de hand van Jacob van Lennep wordt uitgebreid aandacht besteedt aan het spel. Dit boek verscheen aan het begin van de achttiende eeuw.

Je zou kunnen zeggen dat het bekkesnijden het volkse antwoord was op de gevechten met sabels die de edelen hielden. Bijvoorbeeld om de eer van een vrouw te verdedigen. Zo was dit overigens ook onder de deelnemers van het bekkesnijden. Het kwam regelmatig voor dat het spel een grimmige ondertoon had, omdat men streed om de gunsten van een dame.

Foto: megardoodles via Foter.com / CC BY